Bedrijfsvoering

TenCate, de Twentse textielreus die overleefde

Op 17 maart 2016 werd de beursnotering van Royal TenCate beëindigd. 62 jaar zijn de aandelen in TenCate en rechtsvoorgangers verhandelbaar geweest. Met toppen, maar zeker ook dalen.

De afgelopen 15 jaar onder Loek de Vries waren een top. Had je echter rond 1980 iemand gevraagd of TenCate nog zou bestaan, dan had hij je hoofdschuddend aangekeken. De val van de Twentse textielreuzen was zo overweldigend, dat niemand verwachtte dat ook maar één bedrijf dat zou overleven. Maar de oudste bleef staan. Een beetje anders, dat wel. Twents weefsel Hoe ziet het industrieel weefsel eruit waar TenCate uit voortkomt? We gaan daarvoor terug naar de 19e eeuw. Twente dankte zijn beroemde textielindustrie aan de onafhankelijkheid van België van Nederland in 1830. Doordat textielcentrum Gent niet langer bij Nederland hoorde, werd gezocht naar een nieuw op te richten textielindustrie binnen eigen grenzen. Het oog van koopman-koning Willem I en zijn Nederlandsche Handelsmaatschappij (NHM) viel op Twente. De goedkope arbeid en de strategische ligging waren aantrekkelijk en er bestond bovendien al een infrastructuur bestaande uit vrouwen met spinnewielen die bijverdienden naast het boerenbedrijf van hun man. De familie Ten Cate was rond die tijd al ruim een eeuw actief in de textielhandel, maar had zelf nog nooit een draad geweven. De familie zag echter brood in deze nieuwe ontwikkeling. De Ten Cate’s zochten samenwerking met de van oorsprong Amsterdamse handelaar Salomonson die bereid was om mee te investeren. In 1852 ging de eerste stoomweverij van Nederland open met maar liefst 456 mechanische weefgetouwen. Koning Willem III verleende het bedrijf onmiddellijk het koninklijk predicaat. Hard werk, laag loon In Twente ontstond een netwerk van bedrijven rond ondernemende families als Ten Cate, Blijdenstein, Van Heek, Scholten, Stork en Jannink. Hun fabrieken gaven duizenden arbeiders in Twente emplooi. Het werk was allesbehalve prettig. Werkdagen van 12 uur, 6 dagen per week voor een laag loon. Op dat fundament bouwden Twentse textielbaronnen hun rijk. De familie Ten Cate was hierop geen uitzondering. Zeker, het bedrijf zorgde rond de eeuwwisseling voor sociale voorzieningen, zoals huisvesting voor de arbeiders, badhuizen en sportgelegenheden. Je hoeft echter geen cynicus te zijn om het eigenbelang daarin te zien. Personeel dat zich niet kan concentreren of ziek is, berokkent de fabriek immers schade. Toch waren arbeiders trots om op de fabriek en voor hun baas te werken. Tot grote ergernis van socialisten, die spraken over “vals bewustzijn” onder de arbeiders. Een wijziging in dat bewustzijn trad op tijdens de jaren ’30. De crisis hakte er diep in bij de Twentse textielindustrie. Stakingen tegen lagere lonen werden hardhandig onderdrukt. De stemming veranderde. Vaders wilden koste wat kost voorkomen dat hun zoons later ook naar de fabriek zouden moeten. Duurste textiel ter wereld Na afloop van de bezetting kampten de textielfabrieken met een slecht imago opgebouwd tijdens de crisisjaren. In de oorlog waren bovendien veel fabrieksgebouwen verwoest en Japan – dan nog een lagelonenland – kaapte werk weg door op prijs te concurreren. Tot overmaat van ramp ging Indonesië verloren als afzetmarkt. De textielindustrie weet de ontstane situatie niet op te lossen. De neergang voltrekt zich vanaf de jaren ’60. De concurrentie met de lagelonenlanden van die tijd – aanvankelijk Japan, later Taiwan, Hongkong, Zuid-Korea – is niet vol te houden. De specifiek Nederlandse situatie doet een flinke duit in het zakje. In de jaren ’60 explodeerden de lonen, na een decennium kunstmatig laag gehouden te zijn. In de jaren ’50 waren politiek, vakbonden en bedrijfsleven het roerend met elkaar eens dat Nederlandse arbeid goedkoop moest zijn om de wederopbouw te doen slagen. Lage lonen van werknemers betekenden ruimte voor bedrijfsinvesteringen. Aldus geschiedde en Nederland bleef een lagelonenland in Europa. Maar niet voor lang. Om Nederland heen stegen de lonen wel en de vakbonden begonnen te morren. In 1963 werd de geleide loonpolitiek losgelaten, wat in dat jaar leidde tot een loonexplosie van 15%. Het feest van de jaren ’60 kon beginnen. De loonstijging bleef niet zonder consequenties. Tussen 1958 en 1964 stegen de arbeidskosten per geproduceerde eenheid in Nederland met maar liefst 33%, terwijl dat in de andere EEG-landen gemiddeld 17% was en in Engeland slechts 4%. Daar waren de lonen niet krampachtig laag gehouden en meer geleidelijk gestegen. Lagelonenland Nederland was in amper 10 jaar veranderd in een duurte-eiland. Twente kende in de jaren ’60 de hoogste lonen van de textielindustrie ter wereld. De tol van globalisering Tegen een toepassing van een lagelonenstrategie door landen in Oost-Europese en Aziatische landen waren de Twentse bedrijven niet bestand. De Twentse industriëlen slaagden er niet in om de problemen op te lossen door bijvoorbeeld tijdig de productie naar het buitenland te verplaatsen. Wel werden er goedkope arbeidsimmigranten naar Nederland gehaald, maar dat mocht niet meer baten. In Twente eiste globalisering als eerste zijn tol. TenCate was hierop geen uitzondering, maar het bedrijf werd eerder gedwongen om te herstructureren. TenCate handelde veel met Indonesië en die markt ging in 1949 verloren. Een herijking was al eerder nodig, lang voordat andere bedrijven die moesten maken. De herijking werd gevonden in een fusie in 1957 met de eveneens Almelose fabriek KSW. Samen ging het bedrijf verder als Koninklijke Textielfabrieken Nijverdal – Ten Cate, de grootste textielfabrikant van Nederland. Terwijl de industrie in een neerwaartse spiraal terechtkwam, nam de nieuwe combinatie het ene na het andere bedrijf over. Het productenspectrum werd zeer divers met als achterliggende gedachte dat spreiding stabiliteit zou opleveren. Ten Cate groeide uit tot de grootste onderneming in Twente en door cherry picking bij faillissementen van concurrenten kon Ten Cate gezonde onderdelen toevoegen aan het eigen portfolio. Iets wat later goed van pas zou komen. Tobbende textielzwabber Toch moest ook Ten Cate mensen ontslaan, machines van de hand doen of vervangen door efficiëntere machines. De diversificatie, ook door overnames, resulteerde in een eindeloze reeks producten variërend van consumententextiel, 1000-dingendoekjes, Cinderella-dekbedden, surfplanken, stansvormen voor plastic bakjes. Het bedrijf deed eind jaren ’80 textiel in de ban wat ervoor zorgde dat in 1994 80% van de omzet in plastic en rubber werd gehaald. Maar dat bood ook geen soelaas, want door lage toegevoegde waarde en weinig onderscheidend vermogen verdiende Ten Cate hier (te) weinig aan. Het jaar 1995 was een soort wedergeboorte. Ten Cate wijzigde de koers radicaal. Het eeuwenoude bedrijf greep terug op zijn naam en faam in textiel, maar legde zich vanaf dat moment uitsluitend toe op technologisch textiel met hoogwaardige eigenschappen, composietmaterialen voor lucht- en ruimtevaart en kunstgrasvezels. Onder leiding van “Hollandser vind je ze niet”-Loek de Vries transformeerde het bedrijf in 10 jaar tijd van tobbende textielzwabber tot technologisch textielspecialist. Het bedrijf won er in 2007 de innovatie-award mee. Mensen beschermen Met het spinnewiel uit het jaar 1704 heeft het natuurlijk niets meer te maken. De weefsels die TenCate in 2017 maakt, zijn “dragers van eigenschappen”. Het Amerikaanse leger, dat na 11 september 2001 veel oorlog heeft gevoerd en daarmee TenCate wind in de zeilen blies, zweert bij de brandwerende uniformen en de bekleding van tanks tegen bermbommen. “Protecting people” is nu de leus van het bedrijf. Door producten te maken die mensen beschermen – in oorlog, op het grasveld, in een tent, achter een dijk – verzekerde TenCate zichzelf als enige van de Twentse textielreuzen van een toekomst. Pieter van Gent is historicus en mede-eigenaar van bureau voor bedrijfsgeschiedenis, PastFuture. Hij ontrafelt voor Management Team transformaties die bedrijven in het verleden hebben doorgemaakt.