Misschien gaat het wat ver om te zeggen dat talent helemáál niet bestaat, maar het begrip is in elk geval wetenschappelijk gezien omstreden.
Bestsellerauteur en managementgoeroe Malcolm Gladwell beweert bijvoorbeeld dat niet talent, maar iemands geboortejaar en -maand, de sociale omgeving waarin hij of zij opgroeit, de mensen die je stimuleren én een fikse dosis geluk veel meer bepalen of iemand al dan niet een uitblinker wordt. Bill Gates kon uitgroeien tot wie hij is, niet (alleen) vanwege zijn talent, maar vooral vanwege zijn goede geboortejaar, het feit dat hij naar een (dure) privéschool ging, waar een zeldzame computerterminal stond, en omdat hij geluk had. Uit onderzoek onder jonge musici blijkt ook vrijwel altijd dat de leerlingen die het meest succesvol zijn, diegenen zijn die het meest studeren, hoe fijn de gedachte ook is dat zij het meest talentvol zijn.
Bekend (mede dankzij Galdwell) is de 10.000-urenregel, die stelt dat ieder ‘talent’ minstens 10.000 uur noeste trainingsarbeid heeft verricht voor de bijzondere prestaties eruitkwamen. Deliberate practice, noemde ontdekker Ericsson dat. Hoewel op de regel ook wel wat is af te dingen, feit is dat de variatie in arbeid, oefening en motivatie veel groter en bepalender is voor succes dan genetische verschillen.
Een mooi voorbeeld is hoogspringer Stefan Holm, Olympisch kampioen van 2004. Die medaille dankte hij uitsluitend aan zijn doorzettingsvermogen en wil om te winnen, niet aan zijn natuurlijke talent. Holm is slechts 1.81, zeker 20 centimeter kleiner dan de meeste van zijn concurrenten op de sintelbaan. “Wonderkinderen halen zelden de top”, weet Maarten van Bottenburg, hoogleraar sportontwikkeling in Utrecht. “En toppers zijn zelden wonderkind geweest. In de sport wordt hoe je omgaat met je omgeving steeds belangrijker. Met alleen talent kom je er niet meer. Dat is een aardige paradox: de aandacht voor talent neemt toe, maar de rol ervan raakt steeds meer op de achtergrond.”