De 10 grootste leugens over uw pensioen

22 mrt 2012  |   Arjan Zweers   
Pensioenleugens

Het pensioenprobleem is veel groter en acuter dan u wordt voorgehouden. Als u niet net voor uw pensioen staat, kunt u er waarschijnlijk zelfs naar fluiten.


Het pensioenstelsel in Nederland staat bekend als ‘het beste ter wereld’. Maar in feite is het failliet. Er is meer geld in kas dan ooit tevoren. Toch is het tekort in de reserves om en nabij de 240 miljard euro. In de komende 20 jaar gaat zo’n 70 procent van de opgebouwde reserves op aan pensioenuitkeringen. Niet gek dus dat er wordt afgestempeld.

Het verhaal van het Nederlands pensioen­stelsel is dat van een trieste en onnodige ondergang. De ellende begon eind jaren 80, begin jaren 90, zegt de nu 67-jarige Jan Uitgelicht:

Dit artikel komt uit  MT magazine

> abonnement?
van de Poel, oud-ABP-cfo, hoogleraar riskmanagement en nu partner bij Baker Tilly Berk. “Het pensioenstelsel draait, omdat er bij een dekkingsgraad van 130 procent een buffer van 30 procent bestaat. Met die buffer kan risicovol belegd worden, wat de basispremie drukt. Daarnaast is die buffer de rijkdom die oudere generaties doorgeven aan de jongere. In ruil daarvoor dragen de jongeren de inflatierisico’s. Dat is de veelbesproken solidariteit die de kern van het stelsel vormt.”

Pensioen is verdampt

Een kwart eeuw geleden werd echter het voor het stelsel noodzakelijke verband tussen loon- en premiestijging losgelaten. Sterker nog, premies werden soms helemaal niet meer betaald (de zgn. ‘premie-holidays’). Werkelijk iedereen - overheid, werkgevers én werknemers - nam een deel van de opgebouwde reserves, terwijl de uitkeringen en aanspraken wel werden opgehoogd met de inflatie. “Daardoor verdampte de buffer in hoog tempo en daarmee de kapitaalsoverdracht naar de volgende generaties. Door de te lage dekkingsgraden is het stelsel nu niet alleen technisch, maar ook maatschappelijk zo goed als failliet.”

Een pensioen van 70 procent van uw gemiddelde salaris? Tenzij u bijna 65 bent, hoeft u er niet meer op te rekenen. Met 50 procent mag u al blij zijn, 35 procent is realistischer. Hoe jonger u bent, hoe groter het probleem. En hoe meer de betrokken Hoe gaat het nu verder?

Lees hoe het pensioenstelsel er in de toekomst uit kan zien op
mt.nl/pensioenen
partijen eraan doen om u in het ongewisse te laten. Niet voor niets schreef Fieke van der Lecq, hoogleraar pensioenmarkten, al in 2006 dat “grotere transparantie grote gevolgen kan hebben voor de houdbaarheid van het stelsel.” Want de solidariteit in het pensioensysteem, zegt zij, “bestaat bij de gratie van onwetendheid.”

Maar waarom onwetend blijven? De tien grootste pensioenleugens op een rij.

10 van 11

Leugen 10

‘Als het pensioenakkoord wordt uitgevoerd, is korten niet nodig’

o.a. Bernard Wientjes (voorzitter VNO-NCW)

In het pensioenakkoord van vorig jaar, feitelijk een bundel losse eindjes, is afgesproken dat de pensioenleeftijd pas in 2020 een jaartje stijgt en in 2025 nog een jaar om daarna met de levensverwachting te gaan meebewegen. De tekorten in de pensioenfondsen blijven tot die tijd dus onverminderd groot. Als de solidariteit tussen generaties werkelijk iets waard was, was de pensioenleeftijd al veel langer geleden aan de stijgende levensverwachting aangepast.

Bovendien: er zijn al fondsen die vooruitlopen op het pensioenakkoord en de verhoogde pensioenleeftijd al verrekend hebben in een lager opbouwpercentage voor jongeren. Toch zijn er ook daar pensioenfondsen, zoals bijvoorbeeld PME, die nu al moeten korten. Wientjes voorspelt mooi weer voor overmorgen, terwijl hij drommels goed weet dat er vooral donkere wolken dreigen. Een storm en zware depressie niet uitgesloten.

Gegevens ontvanger
Naam ontvanger:
Email ontvanger:
Jouw gegevens
Naam:
Email:

reacties

(4)
Pasfoto van S.M. Gresnigt
Eind jaren 80 lagen de dekkingsgraden nog ruim boven de 200%.
Dat kwam omdat er toen (vooral door werkgevers) een reëel percentage van het salaris werd afgedragen als pensioenpremie (~20% brutoloon).

In de hoogconjunctuur (stijgende beurzen) van de jaren 90 is men daarmee gestopt.

Als de oude afdracht percentages van begin jaren 80 weer worden hersteld, dan wordt de pensioensituatie alsnog weer gezond.
Eenvoudig, collectief wat over willen hebben voor een goede oude dag.
Pasfoto van
  •  | 12 apr 2012 | 17:30 uur
In reactie op 'De 10 grootste leugens over uw pensioen', ontvingen wij op de redactie van Henk Angerman van APG en Gerard Riemen van de Pensioenfederatie de volgende mail:


‘Prutsers en Pinokkio’s’ slaat plank mis

Pensioenmaterie is niet eenvoudig. Wij kunnen dan ook niet van iedereen verwachten dat hij of zij volledig op de hoogte is van de volledige complexiteit van het Nederlandse stelsel. Het wordt een ander verhaal wanneer een journalist een uitgebreid en tendentieus artikel schrijft op basis van foutieve aannames. In het artikel ‘Prutsers en Pinokkio’s’ in het Management Team nummer van 22 maart is daar duidelijk sprake van. Zo wordt er door de betreffende journalist gesuggereerd dat pensioenfondsen zich rijk rekenen door uit te gaan van te hoge toekomstige beleggingsrendementen. Daar kan echter geen sprake van zijn, aangezien de rendementen waarmee pensioenfondsen mogen rekenen voorgeschreven worden door het ministerie van SZW. Het gaat hierbij om verwachte marktrendementen. Een fonds met een huidige dekkingsgraad van 80% -dat volgens het artikel binnen de komende decennia volledig leeg getrokken zal worden- zal uitgaande van die rendementen dan ook naar verwachting op een dekkingsgraad uitkomen van 120% in 2030. Dit herstel wordt bereikt door de indexatie (aanpassing aan de loonstijging) tijdelijk op te schorten. Dit raakt een andere onjuiste suggestie in het artikel: dat alle financiële pijn wordt genomen door de actieve deelnemers. Het zijn namelijk de gepensioneerden die dit direct in hun portemonnee voelen. Dat geldt ook voor het korten op pensioenaanspraken, waartoe veel fondsen hebben besloten. Bovendien zijn de pensioenen bij deze fondsen de afgelopen jaren ook niet of gedeeltelijk geïndexeerd. Ook dat voelen gepensioneerden direct. Dus hoezo “de rekening wordt doorgeschoven naar de volgende generaties”? En juist dit afzien van indexatie en besluiten om pensioenen te verlagen is een direct gevolg van de voorschriften van De Nederlandsche Bank om maatregelen te treffen bij een ontoereikende dekkingsgraad. Een dekkingsgraad die -ook weer op duidelijk voorschrift van DNB- moet worden berekend bij een gegeven rentestand. Het is waar dat die rentestand sinds december mag worden gemiddeld over drie maanden. Daardoor wordt deze stabieler, maar hij zal gemiddeld genomen niet hoger gaan uitvallen. Natuurlijk zijn er structurele problemen binnen ons pensioenstelsel waarop een antwoord gevonden moet worden, zoals de toegenomen levensverwachting. Maar feit blijft dat als de rente 4,5% zou zijn geweest in plaats van de huidige 2,5% de gemiddelde dekkingsgraad zo’n 20 tot 25 procentpunten hoger zou zijn geweest. In dat geval zou afstempelen niet aan de orde zijn geweest. Dus hoezo “pensioenfondsen hoeven met de rente niet veel rekening te houden”? In het MT-artikel wordt ook beweerd dat ‘de huidige rente helemaal niet zo laag is’. Hierbij gaat de schrijver voorbij aan het feit dat de gemiddelde rente sinds 1986 uitkomt op 5,8%.

In het artikel wordt verder gesteld dat ‘indexaties zelden werden betaald uit overrendementen, maar uit premie-inkomsten of primair rendement’. Ook dit is een feitelijke onjuistheid. Eind 2007 lagen de gemiddelde langetermijn rendementen rond de 8%. Uit het overrendement daarvan kon de indexatie worden bekostigd. Sinds eind 2007 zijn de rendementen lager en is er dan ook nauwelijks meer geïndexeerd. Ook de bewering dat ‘er elk jaar een rendement van 6 tot 7% nodig is om kans te maken op indexatie’ klopt niet. Jaren met een negatief rendement kunnen namelijk worden gecompenseerd door jaren met hogere rendementen.

Tot slot: in zijn kritiek op het hanteren van een gemiddelde nominale dekkingsgraad stelt de schrijver dat de nominale dekkingsgraad bestaat uit de verhouding tussen de bezittingen -inclusief het verwachte rendement daarop- en de niet-geïndexeerde verplichtingen van een pensioenfonds. Dit is pertinent onjuist. Het verwachte rendement wordt niet meegenomen.

We begrijpen dat er in de journalistiek pakkend geschreven moet worden. Maar dat moet dan wel gebeuren op basis van de feiten. Veel van wat Arjan Zweers schrijft is aantoonbaar niet waar. Daardoor wordt het hele Nederlandse pensioenstelsel onterecht tekort gedaan.

Henk Angerman, APG
Gerard Riemen, Pensioenfederatie


Pasfoto van
  •  | 16 apr 2012 | 11:28 uur
Een boze brief vanuit het grootste pensioenfonds en de koepelorganisatie vraagt om een reactie. Riemen en Angerman hebben op een paar punten gelijk.

Het eerste betreft het leeglopen van een pensioenfonds dat momenteel een dekkingsgraad heeft van 80 procent. Ik noem daar niet expliciet genoeg dat het om een vergrijsd fonds gaat (hoewel het wel uit de context kan worden opgemaakt).

Wat blijft is dat een vergrijsd fonds met 80% dekking, dat niet indexeert op een gezonde dekkingsgraad moet komen van 120 procent. Eerder schreef ik al dat de bestuurders net doen alsof zij in staat zijn de druk om te indexeren te weerstaan wanneer er een dekkingsgraad van 105 is. In het eigen herstelplan laat ABP nadrukkelijk de mogelijkheid open om al vanaf 104.4% te indexeren en spreekt de ambitie uit om dat ook te doen. De in de ingezonden brief herhaalde verwachting van een dekkingsgraad van 120% in 2030 is mede om die reden niet realistisch.

Het tweede punt waarop ik moet buigen is de formulering van mijn kritiek op de nominale dekkingsgraad. Die is onjuist. De nominale dekkingsgraad is de verhouding van de bezittingen - exclusief verwachte rendementen - en de contante waarde van de verplichtingen. De zinsnede - inclusief verwachte rendementen - is onjuist.

Er is volgens de heren nog veel meer wat niet deugd aan mijn verhaal over de liegende pensioensector. Maar dat is voor een groot deel onzin of een kwestie van perspectief.

Zo melden de twee dat de pensioenfondsen rekenen met een door het ministerie van SZW vastgesteld rendement, en dat het daarom niet onrealistisch hoog kan zijn. Los van de vraag of dat waar is, is het opvallend dat fondsen in hun herstelplannen het maximaal toegestane rendement als minimum hanteren. Er zijn 13 fondsen die in hun herstelplan hogere dan deze voorgeschreven opbrengsten inrekenen. Hun prognoses over de behaalde rendementen waren vrijwel zonder uitzondering aanzienlijk optimistischer dan de gerealiseerde. ABP rekent tot 2023 met een jaarlijks rendement van 6,8 procent. Laat het genoteerd zijn dat in de herstelplannen die de pensioenfondsen hebben ingediend, de aangekondigde kortingen niet waren opgenomen.

Verder is het zo dat de termijn voor een minimaal herstel - tot boven de 105% - onder zware druk van de sector is verlengd van drie naar vijf jaar. Het punt hier is, dat de sector al veel meer ruimte heeft gekregen van de politiek en toezichthouder dan vooraf in de spelregels vastgesteld. Desondanks maken ze opnieuw hun beloften niet waar.

Volgens de briefschrijvers wekt het artikel de suggestie dat alleen de actieve premiebetalers de pijn van kortingen voelen. Als dat zo is, is dat een onjuiste suggestie. Waar ik me in het artikel wel nadrukkelijk tegen teweer stel is de spin vanuit de sector dat het korten van pensioenen alleen een maatregel is die gepensioneerden treft. Dat is pertinent niet waar.

Korten betreft nadrukkelijk ook de aanspraken van toekomstige pensionado’s. De pensioensector wekt willens en wetens de indruk dat in de toekomst de kortingen van actieven worden ingelopen. Dit is niet reëel. Dit zal pas kunnen als de dekkingsgraad volledig gezond is (boven de 125). Voordat aan het ongedaan maken van de kortingen kan worden begonnen moeten eerst de ‘gewone’ indexaties (van het lopende jaar), en de ‘herstelindexaties’ (die over de voorgaande jaren waarin niet geïndexeerd is), worden toegekend. Aangezien korten als allerlaatste middel wordt gehanteerd, en er dus eerst een heel scala aan maatregelen is genomen die de actieven raken, wordt wel degelijk een onevenredig deel van de lasten doorgeschoven naar de volgende generaties.

Een ander pijnlijk punt is de rente. Die is weldegelijk van belang, maar wordt door de briefschrijvers opnieuw als de grote boosdoener opgevoerd. Allereerst het moment waarop door DNB werd overgeschakeld op het driemaands gemiddelde. Dat viel vlak voor het ‘ijkmoment’. Hierdoor ontkwam een aantal fondsen aan het moeten aankondigen van een korting. Dit betreft onder andere PFZW, dat na ABP het grootste fonds is. Ook de opgelegde korting viel hierdoor lager uit. Ook dit is een vorm van doorschuiven. Binnen het pensioenstelsel betekent dit per definitie het verleggen van de rekening naar volgende generaties. Het renteargument wordt van stal gehaald om de discussie over de structuur van het pensioenstelsel uit de weg te gaan.

Hoe uitzonderlijk de huidige rentestand is, is een kwestie van perspectief. Over de laatste vijf jaar ligt die gemiddeld op 2,6 procent.

Verder ageren de briefschrijvers tegen de stelling dat indexaties worden betaald uit premie-inkomsten of het primair rendement. Ze hebben deels gelijk. In hun bewijsvoering hanteren ze de lange termijnrendementen van eind 2007 (8%). We leven nu in 2012. In de laatste vijf jaar zijn de nettorendementen (dus na aftrek kosten) ongeveer 2 procent op obligaties geweest en ongeveer 5 procent op aandelen.

Feitelijk is het juist om te zeggen dat er onverantwoordelijk is geïndexeerd. Ook het ABP maakte zich hieraan schuldig door (gedeeltelijk) te indexeren in een periode van een reservetekort. Maar de adder zit in de laatste zin van deze alinea: ‘Jaren met een negatief rendement kunnen namelijk worden gecompenseerd door jaren met hogere rendementen’.

De pensioensector heeft de onbedwingbare neiging om te denken dat het allemaal beter zal gaan in de toekomst en op basis van die verwachtingen nu al geld en/of rechten toe te kennen.
Ondanks drie terechte punten blijft staan dat het stelsel in zijn huidige vorm niet kan overleven. De pensioensector blijft rondom de structurele problemen draaien, duiken, spinnen of gewoonweg liegen.

Ook in de brief van de twee zien we de bestuurlijke reflex om de verantwoordelijkheid bij anderen te leggen. Het is DNB die de fondsen dwingt tot handelen, terwijl prudent bestuur een eigen verantwoordelijkheid is. Het fundamentele probleem, dat er te weinig geld is om de gewekte verwachtingen waar te maken, is en blijft de verantwoordelijkheid van de fondsbestuurders.

Ook zijn zij verantwoordelijk voor het blijven wekken van verwachtingen die niet ingelost kunnen worden. De reflex om zich achter de handelende toezichthouder te verschuilen is laf. Zolang de fondsen zichzelf rijk blijven rekenen kunnen zij de discussie over de vraag ‘hoe dan wel’ afdoen als irrelevant. Hoe langer die discussie wordt vermeden, hoe hoger de kosten van het hervormen. En dat is een ongemakkelijke waarheid, waar de sector niet aan durft. Een discussie die dit als uitgangspunt heeft, betekent de ondergang van het stelsel.

De keuze die voorligt is die tussen een gecontroleerd faillissement en een ongecontroleerd faillissement. Hoe langer die beslissing vooruit wordt geschoven, hoe groter de kans op dat ongecontroleerde faillissement.
Pasfoto van Anoniem
  • Anoniem
  •  | 03 apr 2013 | 08:32 uur
Bij alle bedrijven waar het slechter gaat moeten er mensen uit.
Bij de pensioenfondsen gaat het ook slecht, maar geen enkel bericht over het ontslaan van medewerkers bij de pensioenfondsen!
Pensioenfondsen: Ga eerst maar eens op personeel bezuinigen, voordat er pensioenen worden gekort.

reageer op dit artikel


 

 
Volg MT op Facebook
X