- | 16 apr 2012 | 11:28 uur
Een boze brief vanuit het grootste pensioenfonds en de koepelorganisatie vraagt om een reactie. Riemen en Angerman hebben op een paar punten gelijk.
Het eerste betreft het leeglopen van een pensioenfonds dat momenteel een dekkingsgraad heeft van 80 procent. Ik noem daar niet expliciet genoeg dat het om een vergrijsd fonds gaat (hoewel het wel uit de context kan worden opgemaakt).
Wat blijft is dat een vergrijsd fonds met 80% dekking, dat niet indexeert op een gezonde dekkingsgraad moet komen van 120 procent. Eerder schreef ik al dat de bestuurders net doen alsof zij in staat zijn de druk om te indexeren te weerstaan wanneer er een dekkingsgraad van 105 is. In het eigen herstelplan laat ABP nadrukkelijk de mogelijkheid open om al vanaf 104.4% te indexeren en spreekt de ambitie uit om dat ook te doen. De in de ingezonden brief herhaalde verwachting van een dekkingsgraad van 120% in 2030 is mede om die reden niet realistisch.
Het tweede punt waarop ik moet buigen is de formulering van mijn kritiek op de nominale dekkingsgraad. Die is onjuist. De nominale dekkingsgraad is de verhouding van de bezittingen - exclusief verwachte rendementen - en de contante waarde van de verplichtingen. De zinsnede - inclusief verwachte rendementen - is onjuist.
Er is volgens de heren nog veel meer wat niet deugd aan mijn verhaal over de liegende pensioensector. Maar dat is voor een groot deel onzin of een kwestie van perspectief.
Zo melden de twee dat de pensioenfondsen rekenen met een door het ministerie van SZW vastgesteld rendement, en dat het daarom niet onrealistisch hoog kan zijn. Los van de vraag of dat waar is, is het opvallend dat fondsen in hun herstelplannen het maximaal toegestane rendement als minimum hanteren. Er zijn 13 fondsen die in hun herstelplan hogere dan deze voorgeschreven opbrengsten inrekenen. Hun prognoses over de behaalde rendementen waren vrijwel zonder uitzondering aanzienlijk optimistischer dan de gerealiseerde. ABP rekent tot 2023 met een jaarlijks rendement van 6,8 procent. Laat het genoteerd zijn dat in de herstelplannen die de pensioenfondsen hebben ingediend, de aangekondigde kortingen niet waren opgenomen.
Verder is het zo dat de termijn voor een minimaal herstel - tot boven de 105% - onder zware druk van de sector is verlengd van drie naar vijf jaar. Het punt hier is, dat de sector al veel meer ruimte heeft gekregen van de politiek en toezichthouder dan vooraf in de spelregels vastgesteld. Desondanks maken ze opnieuw hun beloften niet waar.
Volgens de briefschrijvers wekt het artikel de suggestie dat alleen de actieve premiebetalers de pijn van kortingen voelen. Als dat zo is, is dat een onjuiste suggestie. Waar ik me in het artikel wel nadrukkelijk tegen teweer stel is de spin vanuit de sector dat het korten van pensioenen alleen een maatregel is die gepensioneerden treft. Dat is pertinent niet waar.
Korten betreft nadrukkelijk ook de aanspraken van toekomstige pensionado’s. De pensioensector wekt willens en wetens de indruk dat in de toekomst de kortingen van actieven worden ingelopen. Dit is niet reëel. Dit zal pas kunnen als de dekkingsgraad volledig gezond is (boven de 125). Voordat aan het ongedaan maken van de kortingen kan worden begonnen moeten eerst de ‘gewone’ indexaties (van het lopende jaar), en de ‘herstelindexaties’ (die over de voorgaande jaren waarin niet geïndexeerd is), worden toegekend. Aangezien korten als allerlaatste middel wordt gehanteerd, en er dus eerst een heel scala aan maatregelen is genomen die de actieven raken, wordt wel degelijk een onevenredig deel van de lasten doorgeschoven naar de volgende generaties.
Een ander pijnlijk punt is de rente. Die is weldegelijk van belang, maar wordt door de briefschrijvers opnieuw als de grote boosdoener opgevoerd. Allereerst het moment waarop door DNB werd overgeschakeld op het driemaands gemiddelde. Dat viel vlak voor het ‘ijkmoment’. Hierdoor ontkwam een aantal fondsen aan het moeten aankondigen van een korting. Dit betreft onder andere PFZW, dat na ABP het grootste fonds is. Ook de opgelegde korting viel hierdoor lager uit. Ook dit is een vorm van doorschuiven. Binnen het pensioenstelsel betekent dit per definitie het verleggen van de rekening naar volgende generaties. Het renteargument wordt van stal gehaald om de discussie over de structuur van het pensioenstelsel uit de weg te gaan.
Hoe uitzonderlijk de huidige rentestand is, is een kwestie van perspectief. Over de laatste vijf jaar ligt die gemiddeld op 2,6 procent.
Verder ageren de briefschrijvers tegen de stelling dat indexaties worden betaald uit premie-inkomsten of het primair rendement. Ze hebben deels gelijk. In hun bewijsvoering hanteren ze de lange termijnrendementen van eind 2007 (8%). We leven nu in 2012. In de laatste vijf jaar zijn de nettorendementen (dus na aftrek kosten) ongeveer 2 procent op obligaties geweest en ongeveer 5 procent op aandelen.
Feitelijk is het juist om te zeggen dat er onverantwoordelijk is geïndexeerd. Ook het ABP maakte zich hieraan schuldig door (gedeeltelijk) te indexeren in een periode van een reservetekort. Maar de adder zit in de laatste zin van deze alinea: ‘Jaren met een negatief rendement kunnen namelijk worden gecompenseerd door jaren met hogere rendementen’.
De pensioensector heeft de onbedwingbare neiging om te denken dat het allemaal beter zal gaan in de toekomst en op basis van die verwachtingen nu al geld en/of rechten toe te kennen.
Ondanks drie terechte punten blijft staan dat het stelsel in zijn huidige vorm niet kan overleven. De pensioensector blijft rondom de structurele problemen draaien, duiken, spinnen of gewoonweg liegen.
Ook in de brief van de twee zien we de bestuurlijke reflex om de verantwoordelijkheid bij anderen te leggen. Het is DNB die de fondsen dwingt tot handelen, terwijl prudent bestuur een eigen verantwoordelijkheid is. Het fundamentele probleem, dat er te weinig geld is om de gewekte verwachtingen waar te maken, is en blijft de verantwoordelijkheid van de fondsbestuurders.
Ook zijn zij verantwoordelijk voor het blijven wekken van verwachtingen die niet ingelost kunnen worden. De reflex om zich achter de handelende toezichthouder te verschuilen is laf. Zolang de fondsen zichzelf rijk blijven rekenen kunnen zij de discussie over de vraag ‘hoe dan wel’ afdoen als irrelevant. Hoe langer die discussie wordt vermeden, hoe hoger de kosten van het hervormen. En dat is een ongemakkelijke waarheid, waar de sector niet aan durft. Een discussie die dit als uitgangspunt heeft, betekent de ondergang van het stelsel.
De keuze die voorligt is die tussen een gecontroleerd faillissement en een ongecontroleerd faillissement. Hoe langer die beslissing vooruit wordt geschoven, hoe groter de kans op dat ongecontroleerde faillissement.