De voors en tegens van NPS zijn inmiddels uitentreuren beschreven. Maar dat geldt ook voor het klassieke klanttevredenheidonderzoek (KTO). Wat juist interessant is om de NPS te beschouwen als alternatief voor de klassieke KTO. Dan wordt het vanzelf een stukje genuanceerder.
Een aantal van de zogenaamde ‘gebreken’ van NPS gelden natuurlijk net zo goed voor KTO (de vraag vertekent, cross culturele verschillen, de klant is complex, tevredenheid is geen gedrag). Maar het grootste verschil zit ‘m in wat er met de resultaten gebeurd; met de resultaten van een klassiek KTO namelijk doorgaans bar weinig. Zelfs al zoú de NPS metric methodologisch inferieur zijn aan klanttevredenheid, NPS zet in de meeste gevallen meer in gang. Alleen al daarmee staat NPS 1-0 voor op KTO.
Hoewel ik geen onvoorwaardelijke fan ben van Reichheld, vind ik het doodzonde dat bijna alle discussie over zijn ‘ultimate question’ over de NPS metric gaat en niet over het tamelijk elegante gedachtegoed erachter. De basisfilosofie van Reichheld is namelijk dat bedrijven die duurzame groei willen realiseren afscheid moet nemen van ‘bad profits’ (winst op basis van diensten die ten koste gaan van de klant, bijvoorbeeld 2 seconden bellen en 60 betalen) en zich moeten concentreren op ‘good profits’ (winst op basis van diensten waar de klant graag voor betaald, bijvoorbeeld als je over je belbundel gaat krijg je extra korting). De NPS is alleen maar in het leven geroepen om te meten hoe ver een organisatie is gevorderd met het implementeren van deze basisfilosofie. Overigens is net als de NPS metric deze filosofie extreem eenvoudig uit te leggen aan iedereen binnen de organisatie, wat de kans op verandering uiteraard alleen maar groter maakt. 2-0 voor NPS.
Wat betreurenswaardig is, is dat organisaties vaak niet goed raad weten met de basisfilosofie van Reichheld en NPS als de nieuwe maat voor KTO beschouwen. Waarmee eigenlijk alles hetzelfde blijft als daarvoor, behalve dat er aan de klanten een andere vraag wordt gesteld. Reichheld raadt met klem af om van die verschrikkelijke lange vragenlijsten in te zetten (bad customer experience!), maar binnen de meeste organisaties wil of moet elke verantwoordelijke voor zijn stukje van de klantervaring toch precies weten wat de klant van ‘zijn’ stukje dienstverlening vindt en hoe belangrijk dat dan wel niet is. En zo zien we in de praktijk toch weer ellenlange vragenlijsten en black box statistiek, ondanks dat klanttevredenheid is ingeruild voor de ‘ultimate question’.
De oplossing voor elke organisatie die wil monitoren wat klanten van de dienstverlening vinden, zit ‘m mijn inziens niet zozeer in wat je meet, maar wat je begrijpt van je klanten. En dat is geen losstaande activiteit, maar een mindset. De meeste organisaties hebben tegenwoordig hun mond vol van ‘customer centricity’, maar slechts weinig slagen erin dit concreet handen en voeten te geven. Ik heb echter een klein aantal organisaties van binnen gezien die er wel in slagen een mindset neer te zetten waarin het als product manager, brand manager, portfolio manager of wat dan ook de normaalste zaak van de wereld is dat je nieuwsgierig ben naar wat de klant beweegt, wat die van jouw merk en diensten vindt en hoe dat beter zou kunnen. Bij deze organisaties is klantkennis niet alleen de verantwoordelijkheid van een afdeling onderzoek of kwaliteitsmanagement, maar van de gehele organisatie. Simpelweg omdat het logisch is dat jij als professional je klant goed kent.
Kortom, hoe veel onderzoek er ook wordt gedaan en hoe capabel onderzoekers en analisten ook mogen zijn, als er geen betrokkenheid en commitment is van de rest van de organisatie om outside-in te denken gaat er niet veel gebeuren met wat voor indicator dan ook. De discussie of je aanbevelingsintentie of klanttevredenheid moet meten degradeert hiermee tot slechts een detail.
Robert van Ossenbruggen
oprichter CustomerCentral